Groep AMOS unIQ 7/8

Leerkracht(en)

Meester Joey (ma, di, wo, do, vr)

Vier jaar geleden ben ik op De Bonkelaar gestart en heb ik samen met het team de UnIQ afdeling opgezet. Ondertussen hebben we een 5/6 en een 7/8 UnIQ combinatie en is het team verder uitgebreid met Pieter Bosman (locatieleider De Bonkelaar) en Paula Tuinder (leerkracht 5/6). Samen hebben we een sterk fundament gelegd voor hoogbegaafden onderwijs op De Bonkelaar.

De afgelopen drie jaar was ik ook locatieleider van De Bonkelaar, maar ik bleek het lesgeven te missen. Daarom sta ik nu weer volledig voor de groep 7/8. 

Informatie

5 jarig jubileum AMOS UnIQ

Vrijdag 28 september viert Amos UnIQ haar 5 jarig jubileum. Wij vieren dit groots op het terrein naast De Poseidon aan het strand. Het jubileum zal in het teken staan van ridders

De kinderen leggen in de ochtend een Middeleeuws Vaardigheden Circuit af, in de middag vindt het toernooi plaats.

Programma

De planning is:

  • rond 08:40 uur vertrek vanuit De Bonkelaar
  • 09:00 uur briefing hulp ouders
  • 09:45 uur start ochtend programma, ouders begeleiden
  • 13:00 uur cadeaus en activiteiten
  • 13:45 uur verkiezingen
  • 14:00 uur toernooi
  • 14:30 uur afsluiting Ridderdag
  • 14:45 – 16:00 uur Borrel op De Poseidon

ouders, oud leerlingen en hun ouders zijn allen uitgenodigd vanaf 14:00 uur : Uitnodiging Ridderdag

 

Betoog ( 4 september 2018)

Stap 1: kies een leuke stelling

  • Een stelling is een mening die meestal pleit voor een verandering.
  •  

Stap 2: denk na

  • Voordat je een geweldig betoog op papier zet, is het goed om eerst even na te denken over wat je eigenlijk wil zeggen. Ga brainstormen! Maak vervolgens een plan van de globale structuur van je betoog.
  •  

Stap 3: ga schrijven

  • Een betoog is opgebouwd uit een vaste volgorde van alinea’s. Om je verhaal helder te houden, is het goed hier op te letten. 

  – De inleiding: Leuke manier om je argumenten in te brengen

  – Argumenten voor: Nu ga je puntsgewijs uitleggen waarom het goed is wat jij vindt.

De opbouw van een argument werkt meestal via het  

  SAIL-principe:

  • State: zeg in één zin wat de kern is van het argument.
  • Analyze: leg je stelling uit.
  • Illustrate: geef een voorbeeld van je argument. Dit maakt het levendig.
  • Link: herhaal je state: “we zien dus dat leerlingen meer verantwoordelijkheidsgevoel krijgen.” Dit maakt het argument rond.

  – Argument tegen: Vaak is het goed om een argument tegen op te schrijven, zodat je laat zien dat je hebt   nagedacht over eventuele bezwaren van de tegenpartij. Maar maak het tegenargument niet te sterk, want   vervolgens ga je…

  • … Het argument tegen verwerpen. In deze alinea leg je uit waarom een kritische noot op jouw plan ongegrond is. Hierdoor komen je voorargumenten nog beter uit de verf.

Conclusie: Als het goed is heb je nu de lezers met bijzonder goede argumenten van hun stoel geblazen. Nu vat je het nog even samen: wat heb je precies gezegd en waarom zorgt dat ervoor dat je je stelling hebt bewezen? Belangrijk: zorg ervoor dat je in je conclusie geen nieuwe informatie meer geeft! 

Stap 4: teruglezen

Debat ( 5 september 2018)

De kinderen zijn vandaag gestart met de Debatlessen. De presentatie is hier te vinden. Groep 8 heeft vorig jaar al kennis gemaakt en groep 7 heeft hierover instructie gekregen

 

Werkstuk (start in week 17 september 2018)

De aanpak van het maken van een werkstuk

 

De aanpak van het maken van een werkstuk is in principe voor alle soorten werkstukken hetzelfde. Eerst bepaal je het onderwerp van je werkstuk, en dan ga je beginnen met je onderzoek. Het maken van een werkstuk, of het nu gaat om een profielwerkstuk, een sectorwerkstuk of een anders soort werkstuk, gaat het best als je een systematische werkwijze volgt.

Dit stappenplan helpt je bij elke stap van het maken van je werkstuk, en levert meteen inhoudelijke onderdelen aan die je in de indeling van je werkstuk kunt gebruiken. Zo komt de probleemstelling straks in de inleiding van je werkstuk te staan, het beantwoorden van de deelvragen levert stof voor de hoofdstukken, en het antwoord op de hoofdvraag wordt de conclusie van je werkstuk.

 

Bepaal eerst de probleemstelling of hoofdvraag

De probleemstelling is eigenlijk het centrum waar het werkstuk om draait. Het is een precieze formulering van het onderwerp dat je onderzoekt. Omdat de probleemstelling vaak wordt geformuleerd als vraag, wordt hij ook wel hoofdvraag genoemd.

Stel bijvoorbeeld dat je hebt besloten om je werkstuk te schrijven over de bevolkingsdichtheid in Nederland. Om over dit onderwerp een samenhangend stuk te schrijven, is het belangrijk heel duidelijk te krijgen wat je erover wilt onderzoeken. Dit gaat bijna altijd het makkelijkst als je een vraag over het onderwerp kunt bedenken die je dan vervolgens kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld: ‘waarom is de bevolkingsdichtheid in de Randstad zoveel hoger dan in het Oosten van het land?’ Het beantwoorden van deze vraag levert de inhoud van je werkstuk op.

Nog meer voorbeelden van mogelijke probleemstellingen

Wat is het verschil tussen Germaanse en Romaanse talen?

Wat is de educatieve waarde van judo?

Hoe ontstaan gletsjers?

Welke opvattingen hadden mensen in het oude Egypte over het leven na de dood?

 

Verdeel het onderwerp in stukken: de deelvragen

Vaak is het onderwerp dat je in de probleemstelling hebt vastgelegd nog steeds vrij algemeen omschreven. Daarom ga je het in stukken knippen met deelvragen. De deelvragen worden straks de onderwerpen van de hoofdstukken van je werkstuk. In het voorbeeld over de bevolkingsdichtheid in Nederland zouden de deelvragen er bijvoorbeeld zo uit kunnen zien:

Wat wordt er precies bedoeld met bevolkingsdichtheid?

Hoe wordt de bevolkingsdichtheid in Nederland opgemeten?

Wat is de bevolkingsdichtheid per provincie?

Wat is de verklaring voor de hoge bevolkingsdichtheid in de Randstad?

Wat is de verklaring voor de lage bevolkingsdichtheid in het Oosten van Nederland?

Is er een verband tussen de hoge bevolkingsdichtheid in de Randstad en de lage bevolkingsdichtheid in het Oosten?

Nu heb je het onderzoek verdeeld in een aantal kleinere stappen, die je stuk voor stuk kunt onderzoeken.

 Verzamel informatie over het onderwerp van je werkstuk

Nu je de hoofdvraag en de deelvragen op papier hebt gezet, kun je beginnen met je onderzoek. Daarvoor ga je verschillende bronnen raadplegen: boeken, tijdschriften, kranten, het internet. Je kunt ook iemand interviewen over het onderwerp. Het is altijd verstandig om meerdere bronnen te gebruiken, zodat je zoveel mogelijk verschillende informatie over het onderwerp vindt. Dan kun je een goed afgewogen en zo volledig mogelijk antwoord geven op de probleemstelling.

 Internet als bron voor je werkstuk

Als je op internet gaat zoeken naar informatie over je onderwerp, kom je vaak een heel eind door het onderwerp als zoekterm in een zoekmachine in te vullen. Je kunt ook op Wikipedia zoeken wat er daar over je onderwerp te vinden is. Als je een website gebruikt als informatiebron voor je werkstuk, noteer dan wel het adres, zodat je dat later ook in je bronvermelding kunt opnemen.

 In de bibliotheek zoeken naar bronnen voor je werkstuk

Op internet kun je steeds meer vinden, maar nog heel veel informatie is alleen maar in boeken beschikbaar, of in (wetenschappelijke) tijdschriften. Daarom is het een goed idee om in de openbare bibliotheek of schoolbibliotheek te zoeken naar informatie over je onderwerp. Veel bibliotheken hebben een computercatalogus waarin je op onderwerp of op trefwoord kunt zoeken. Je kunt natuurlijk ook een medewerker van de bibliotheek om hulp vragen.

Als je een aantal boeken en tijdschriften hebt gevonden, is het belangrijk om er een beetje in te bladeren en in te schatten of je er voor je werkstuk iets aan kunt hebben. Een goede methode is bijvoorbeeld om de inhoudsopgave na te lezen. Het is zonde van je tijd om een boek te gaan lezen als er maar een heel klein stukje, of niets, over je onderwerp in staat. Als er bijvoorbeeld één hoofdstuk over je onderwerp gaat, kun je ervoor kiezen om alleen dit hoofdstuk te lezen.

Als je zo een aantal boeken, tijdschriften en andere bronnen hebt verzameld over je onderwerp, kun je beginnen met het lezen en bestuderen ervan. Een goed aantal bronnen ligt tussen de vijf en tien; als je er meer gaat gebruiken, kost dat veel tijd, en het wordt ook steeds moeilijker om het overzicht te bewaren over alle informatie die je vindt.

 

Beantwoord elke deelvraag apart

Als je begint je bronnen te bestuderen, is het handig om pen en papier bij de hand te hebben. Zodra je iets tegenkomt dat één van je deelvragen (gedeeltelijk) beantwoordt, kun je dat noteren. Schrijf kort op wat je gevonden hebt, in welk boek en op welke bladzijde, of op welke website en waar precies.

Het is ook een goed idee om je lijstje deelvragen en je probleemstelling bij de hand te hebben en er af en toe naar te kijken, zodat je niet tijdens het lezen vergeet naar wat voor soort informatie je precies op zoek bent.

Wanneer je alles gelezen hebt, kun je beginnen met schrijven. Dit werkt het beste als je het per deelvraag doet. Dus: schrijf de eerste deelvraag op en begin met het beantwoorden van de vraag. Schrijf alles op wat je gevonden hebt over dit onderwerp. Als je hiermee klaar bent, doe je hetzelfde voor de tweede deelvraag, en dan voor de derde, enzovoort, totdat alle deelvragen beantwoord zijn. Je hebt nu eigenlijk de hoofdstukken van je werkstuk al geschreven.

Geef aan het einde van elk hoofdstuk antwoord op de deelvraag. Dit zou nu makkelijk moeten lukken, omdat je alles over dit onderwerp hebt gelezen en op een rijtje gezet. Als het nog niet lukt om antwoord te geven op de deelvraag, moet je misschien nog meer bronnen zoeken over het onderwerp om verder onderzoek te doen. Ga net zolang door totdat je een goed antwoord kunt geven op elke deelvraag.

 

Paragrafen

Wanneer een hoofdstuk niet erg lang is geworden, hoef je het niet verder op te delen. Als er wel een heleboel informatie in een hoofdstuk terecht is gekomen, kun je het hoofdstuk opdelen in paragrafen. Zo was er in het voorbeeld van de bevolkingsdichtheid in Nederland een deelvraag over de bevolkingsdichtheid in de verschillende provincies. Als je hier voor elke provincie veel informatie hebt gevonden, wordt het hoofdstuk er overzichtelijker van als je één paragraaf per provincie maakt.

 

Alinea’s

Of je het hoofdstuk nu wel of niet onderverdeelt in paragrafen, voor de duidelijkheid van je tekst is het altijd goed om deze in alinea’s te knippen. Steeds als er een nieuw stukje van de informatie begint, laat je een nieuwe alinea beginnen. Meestal zijn alinea’s zo’n vijf tot acht zinnen lang. Maar het belangrijkste is dat alle zinnen in een alinea een logisch verband met elkaar hebben.

 Maak een samenvatting van je antwoorden op de deelvragen

Nu je elke deelvraag hebt beantwoord, kun je de antwoorden allemaal achter elkaar zetten. De tekst die je zo krijgt, kun je later gebruiken in de samenvatting van je werkstuk, of in de conclusie. Schrijf niet alleen de antwoorden zelf op, maar maak er ook een paar inleidende zinnen bij, zoals: ‘Eerst heb ik onderzocht wat er precies bedoeld wordt met de term bevolkingsdichtheid. Ik heb ontdekt dat de bevolkingsdichtheid de verhouding weergeeft tussen het aantal inwoners en de oppervlakte van een bepaald gebied. Daarna heb ik uitgezocht hoe de bevolkingsdichtheid in Nederland wordt gemeten. Het blijkt dat dit door het CBS wordt gedaan, en dat de bevolkingsregisters van gemeenten de belangrijkste bron zijn voor de metingen’. Enzovoort.

Je antwoorden op de deelvragen zijn de resultaten van je onderzoek. Het grootste deel van het maken van je werkstuk is nu gebeurd.

  

Als het goed is, kun je nu de hoofdvraag beantwoorden

Je begon je onderzoek door een probleemstelling te formuleren. Die heb je vervolgens in deelvragen geknipt, en deze heb je stuk voor stuk beantwoord. Met de samenvatting die je gemaakt hebt van je antwoorden, kun je nu de hoofdvraag, de probleemstelling, beantwoorden. Als dit nog niet lukt, moet je teruggaan naar de deelvragen en kijken of je vergeten bent een deelvraag te maken over een bepaald deel van het onderwerp. Dan kun je er nog een deelvraag bij maken, en nadat je deze beantwoord hebt, kun je hopelijk ook de hoofdvraag beantwoorden. Ga net zolang door totdat je een goed antwoord op de hoofdvraag hebt.

Het kan natuurlijk wel eens gebeuren dat je een probleemstelling bedacht hebt die niet volledig te beantwoorden is. Als de bronnen die je onderzocht hebt, echt geen antwoord kunnen geven op één van je deelvragen, bijvoorbeeld omdat er nog geen onderzoek is gedaan naar dit onderwerp, kun je dat vermelden in je antwoord.

Je antwoord op de probleemstelling is de conclusie van je werkstuk

Leren leren

  • Het gaat om het leren van “leren leren”
  • Het is geen competitie met je klasgenoot
  • Oefen met verschillende (leer) strategieën
  • Praat en denk mee als we de leerstrategieën bespreken
  • Evalueer (mondeling / schriftelijk) op jouw leerstrategie

 

Toets 1 – 5 oktober 2018 

A 1 N 14
B 2 O 15
C 3 P 16
D 4 Q 17
E 5 R 18
F 6 S 19
G 7 T 20
H 8 U 21
I 9 V 22
J 10 W 23
K 11 X 24
L 12 Y 25
M 13 Z 26

 

Nederlands Engels – Engels Nederlands

sprake                  speak of

gebieden             areas

plaatselijke         local

leiders                  leaders

provincie             province

verzet                   opposition

strijd                     war

onafhankelijk     independent

leiding                  leadership

werd                     was

republiek            republic

gevormd             formed

 

tegelijk                simultaneously

ontwikkeling     development

economische    economic

groei                     growth

periode               time

ontdekte            discovered

dreef                    conducted

handel                 trade

tegenstander    opponent

woordenboek dictionary

nationale            national

eenheid              unity

 

 

Tekst

Ken je het boek “waar is Wally?”

Het zijn grote boeken met heel volle tekeningen, van een heleboel mensen in de dierentuin, of in het zwembad, of op de kermis. Er is dus heel veel op te zien, en in al die drukte moet je één klein figuurtje zoeken: een jongen met een rood/wit gestreepte trui aan, een zwart rond brilletje op, en een gebreid mutsje op zijn hoofd. Dat is Wally. De boeken komen uit Amerika, daar heet hij ‘Waldo’. Het is niet makkelijk om Wally of Waldo te vinden tussen al die andere mensen. Maar het is een leuk spelletje. Waarom vinden we zulke dingen eigenlijk leuk om te doen?

Fotoalbum